Wikia


Leon Boel (°09/05/1888 - †12/02/1946) was in Aalst gekend als den Ellebee, naar zijn initialen L.B. waarmee hij zijn teksten ondertekende. Leon was een groot liefhebber van het Aalsters dialect, dat hij dan ook gebruikte in zijn maandblad Den Olsjterschen Tieger. Daarnaast was hij gekend voor zijn Aalsterse teksten voor menig sketches, toespraken, revues en liedjes.

Den Ellebee Edit

Ellebee Cigars 2

Leon Boel was een bediende en handelaar, die met zijn vrouw Germaine, gevestigd was aan de Dendermondsesteenweg nummer 66. Hij is de vader van Adolf Boel, die in Aalst bekend werd als Draeckenier en columnschrijver voor De Voorpost en De Nieuwe Gazet van Aalst.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Leon oorlogsvrijwilliger, waardoor hij later erevoorzitter van de Vuurkruisers werd. Een vuurkruiser was een eretitel die gegeven werd aan iedereen die aan het front gestreden had. Leon was ook ondervoorzitter van de Oud-Onderofficieren van het Belgisch Leger.

Daarnaast was Leon ook actief in het verenigingsleven; hij was secretaris van de toneelmaatschappij Voor Taal en Vrijheid, waarvoor Leon heel wat teksten aanbracht.[1] Hij was ook arrondissementsafgevaardigde van de "Touring Club van België".

Leon begon zijn beroepscarrière als hulpboekhouder, maar richtte in 1925 zijn eigen groot- en kleinhandel op. Hij noemde zijn handelszaak "Ellebee", naar zijn bijnaam. Die bijnaam had Leon gekregen doordat hij zijn teksten steeds ondertekende met de initialen L.B.. Als handelaar werd Leon bekend door de sigaren die hij verkocht; deze had hij omgedoopt tot 'Ellebee sigaren'. De sigaren van Leon waren niet enkel te koop in zijn eigen winkel, maar werden ook door verschillende Aalsterse café's aan de man gebracht. Daarnaast verkocht Leon ook nog wijnen en likeuren in zijn zaak. In 1935 werd Leon bureauchef bij de F.F.R..

Den Olsjterschen Tieger Edit

Leon zorgde er mee voor dat het Aalsters dialect bleef voortbestaan. In oktober 1929 startte hij met een eigen satirisch maandblad, dat volledig in het Aalsters dialect geschreven was. Het blad werd Den Olsjterschen Tieger genoemd, verwijzend naar hun hoofdsponsor Brouwerij De Blieck. Een van de bieren die deze brouwerij brouwde was immers Golden Tiger.

In het maandblad beschreef Leon op zijn eigen manier de lokale gebeurtenissen. Het maandblad bestond uit 4 bladzijden en kostte 0,50 frank. Het blad had een oplage van 500 exemplaren per nummer.[2][3]

Den Oilsjtersen Tiger

In het allereerste nummer beschrijf hij in het stuk 'Ne viezen droeim' hoe Dirk Martens hem bezocht had om hem ervan te overtuigen de Aalsterse taal opnieuw te promoten. Het bleek, zoals de titel al deed vermoeden, echter maar een droom te zijn.[4]

En keê na groin wie dat da was? A weê...Markes! Ja, ja, Markes in persooin! Ha stak zenne graaleken polleiper oit, greip men hand vast, schiedje ze ne kir verzichtig dat de bintjes krokten, en begost te veizelen dat de roiten rammelden. (Leon Boel - Ne Viezen Droeim - Den Olsjterschen Tieger 15/10/1929)
Leon stond volledig alleen in voor het blad, al kreeg hij wel hulp van zijn zoon Adolf, die zo de liefde voor het Aalsterse dialect van zijn vader zou meekrijgen. In het blad verschenen verschillende advertenties, waaronder ook die voor zijn eigen sigaren. Den Olsjterschen Tieger verscheen een laatste keer in oktober 1931.

Den Oilsjtersen Tieger 15121929

(Den Olsjterschen Tieger - 15/12/1929)

In 1939 probeerde Leon het opnieuw met een Aalsters blad; Den Olsjtneer. Het eerste nummer verscheen op 1 juni 1939, maar het blad was geen lang leven beschoren.[5]

Tekstschrijver Edit

BoelLeon

Leon Boel (Foto: Forum Aalst Historiek)

Leon werd niet alleen bekend met zijn sigaren en Den Olsjterschen Tieger, maar ook met zijn teksten. Zo schreef hij gedichten, liedjes, kluchtige toespraken en sketches voor verschillende revues. De teksten van Leon werden omschreven als typisch Aalsters, geestig, scherpzinnig, spottend en rauw.

Een bekend gedicht, dat waarschijnlijk geschreven was voor een revue, was dat van 'Het Uurwerk van Mijnen Gebuur' uit 1923. Ook 'n Okosje uit 1924 was gekend; in dit gedicht verwees Leon naar verschillende Aalsterse plaatsen, zoals den Ameirikoon, dat verwees naar de bioscoop en danszaal in de Hoogstraat en den Boulevaar des Epinards, waarmee hij de Park-, Bethune- en Capucienenlaan bedoelde, die toen nog in aanleg waren. In 'k Heb een Vrouw (1924) had hij het over een vrouw die meer aandacht had voor haar dieren, in plaats van voor haar echtgenoot.

Ik heb als gebuur een schoon lief studentje. Ik kan hem altijd zien door mijn open raam. Somtijds stuurt hij mij een schoon liefdesprentje en die blijk van liefde is mij aangenaam. Overlaatst had ik mijn uurwerk niet opgewonden, dat was van mij echt vergetelheid. Hij zat voor zijn venster in een boek verslonden en ik sprak 'Menheer, 'k weet van uur noch tijd'. (stukje uit Het Uurwerk van Mijnen Gebuur)
In 1924 schreef hij het gedicht 'Het Park van Oilsjt' dat in verschillende revues gebruikt zou worden.
In 't Park van Oilsjt door is 't er veil amusement. Ge ziet dor in ons park is allemaan kontént. G'hetj goeie locht, gien spierken stank en 't is dor fris. En in de voiverkes, zwemt schoeine vis. (stukje uit Het Park van Oiljst)
In 1925 schreef hij een gedicht ter gelegenheid van het jaarlijks banket van de Aalsterse motorclub Motor-Union. Het gedicht was deels in het Frans geschreven en deels in het Aalsters. Ook voor boogschuttersvereniging St. Servatius schreef Leon in 1926 een gedicht.

In het gedicht Manewel De Visser had Leon het over volksfiguur Emanuel Ringoir, de voor de Tweede Wereldoorlog dagelijks zat te vissen tussen de St. Anna- en de Zeebergbrug. In het gedicht wordt verwezen naar de blauwe voorschort die Emanuel steeds droeg.

En as Manewel ten goot vissen, doet'n zenne blave vesschooit oon. Ver as'n soms ne kier moe pissen, moet'en doveir ten niet opstoon. (stukje uit Manewel De Visser)
Ook verschillende liedjes kwamen van zijn hand, zoals Oilsjt is 'n chikke Stad uit 1924 en het Visserslied uit 1925. Vooral Oilsjt is'tn chikke Stad was zeer gekend bij de Aalsterse bevolking.
Oilsjt es 'n chikke stad. Door heej van alles wat. n' Hofken op élk ploin, 't en kaan ni schoenjer zoin. Schoein winkels mé de macht, 't is vried van liks en pracht. Groeit' hotels op 't Stoosjeploin, garaasj'n 'n half dozoin. Oilsjt is bekost vér zèn vloin, zèn hop en zènn'ajoin. Ajoin, ajoin, ajoin. (stukje uit Oilsjt is 'n chikke Stad)

Varia Edit

  • In 1932 stond Leon op de verkiezingslijst van de Liberalen op de 23e plaats. Oud-strijders werden door de Liberalen opgeroepen om voor hem te stemmen. Dit stuitte op tegenkantingen van de andere politieke strekkingen. Zo was in De Volksstem van 7 oktober 1932 te lezen dat een stem voor Leon Boel een verloren stem was, aangezien hij toch niet verkozen kon worden. De krant hekelde ook het feit dat het woord oud-strijder voor politieke doeleinden misbruikt werd door Leon en de Liberale partij.[6]
  • Het lied 'Oilsjt is een sjikke stad' werd later door het Corum Alostum Imperiale opnieuw gezongen en in 2017 stond het lied op de cd 'MuzikOilsjt - volume 8'. De nieuwe versie van het lied werd ingezongen door Nicole Schellinck, Raf Sidorski, Ronny Eemans, David Bockstael en Bart Marcoen.

Bronnen Edit

  1. Het Aalsterse Volksleven, Jos Ghysens (1978)
  2. De Voorpost, 7 april 1978
  3. Forum Aalst Historiek, http://forum.aalsthistoriek.be
  4. Den Olsjterschen Tieger, 15 oktober 1929
  5. Aalst 1920 - '40, Jos Ghysens (2002)
  6. De Volksstem, 7 oktober 1932
Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.